Stijgend water
Het water kwam niet langzaam.
Eerst vulde het de geulen rond de turbines. Zwart, schuimend, kolkend langs de metalen roosters. Daarna schoot het omhoog uit open leidingen in de wand, als aders die waren doorgesneden.
“Omhoog!” riep Linde.
De loopbrug trilde onder hun voeten.
Carola rende naar de trap aan de rechterwand. Sera was al halverwege, op weg naar Clara. Boven haar worstelde Clara met de Bewaarder die haar had vastgehouden. De andere Bewaarder had een wapen getrokken, maar zijn schot verdween in het geraas van het water.
Elias pakte Arend bij zijn arm.
“Bewegen.”
Arend keek naar het bedieningspaneel, waar blauwe vonken over de kapotte knoppen kronkelden.
“De tweede klep,” zei hij. “Als die niet sluit, loopt niveau min vijf vol.”
“Dan sluit je hem onderweg,” zei Elias.
“Zo werkt het niet.”
“Vandaag wel.”
Arend keek hem aan.
Heel even leek er iets op een glimlach.
Toen greep hij de leuning en begon te klimmen.
Carola bereikte de eerste loopbrug net toen een golf tegen de onderste trap sloeg. Koud water spatte tot aan haar knieën. Ze greep zich vast aan het metaal en keek omhoog.
Sera had Clara bereikt.
Een Bewaarder lag bewusteloos tegen de reling. De andere hield Clara bij haar haar vast en drukte haar met één arm tegen de metalen vloer. In zijn vrije hand glom het kleine apparaat dat eerder aan Clara’s hals was gehouden.
“Laat haar los!” schreeuwde Carola.
De man keek omlaag.
“U begrijpt niet wat zij is,” riep hij terug.
“Dat doe ik wel,” zei Carola. “Meer dan jij.”
Hij drukte het apparaat tegen Clara’s nek.
Clara’s hele lichaam verstrakte.
Sera kwam van achteren op hem af, maar hij zag haar in een reflectie van een waterleiding. Hij draaide zich om, sloeg haar met zijn elleboog tegen de kaak en duwde haar naar de rand.
Sera greep nog net een kabel.
Onder haar kolkte het water.
Carola rende verder omhoog.
De loopbrug schudde. Een metalen plaat onder haar voet boog door. Zij sprong naar het volgende stuk, greep de leuning en trok zich overeind.
“Carola!” riep Elias beneden.
Zij keek niet om.
De Bewaarder richtte nu het apparaat op Clara’s slaap.
“Blijf staan.”
Carola bleef staan.
Achter hem hing Clara half over de reling, haar gezicht bleek, haar adem schokkend. Sera hing nog steeds aan de kabel, haar voeten zoekend naar steun.
“Je denkt dat je haar redt,” zei de Bewaarder. “Maar je geeft haar alleen terug aan het lijden.”
“Dat besluit is niet aan jou.”
“Het is aan niemand. Daarom bestaat de Kern.”
Carola zag het apparaat in zijn hand. Geen wapen in de traditionele zin. Een gehoorzaamheidsmodule. Een korte elektrische impuls, misschien gecombineerd met een signaal dat Clara’s conditie kon activeren.
Ze keek naar Clara.
“Kun je me horen?”
Clara knipperde.
Eén keer.
Carola sprak rustig. Duidelijk.
“Je bent niet haar ontwerp.”
De Bewaarder drukte het apparaat harder tegen Clara’s hoofd.
“Zwijg.”
“Je bent niet haar vervanger.”
Clara’s ogen zochten die van Carola.
“Je bent Clara.”
De Bewaarder draaide zijn hoofd naar Carola.
Dat ene moment was genoeg.
Clara sloeg haar hoofd naar achteren.
Haar achterhoofd raakte zijn neus met een doffe klap. Hij schreeuwde, verloor zijn greep op het apparaat en wankelde achteruit.
Sera trok zichzelf omhoog, greep zijn jas en sleurde hem mee.
De drie botsten tegen de reling.
Het apparaat viel.
Carola dook ernaar.
Haar vingers sloten zich eromheen vlak voordat het door de metalen spijlen in het water zou verdwijnen.
De Bewaarder rukte zich los van Sera en haalde uit. Zijn vuist raakte Carola tegen haar schouder. Ze viel op één knie, maar hield het apparaat vast.
Clara stond voor haar.
Ze keek naar de man.
Hij keek terug.
“Protocol,” hijgde hij.
Clara hief haar hand.
“Protocol beëindigd.”
Ze drukte haar duim tegen een klein vlak op het apparaat.
Een felle groene flits.
De Bewaarder verstijfde.
Zijn ogen werden groot. Toen zakte hij langzaam door zijn knieën. Geen bloed, geen drama. Alleen een lichaam dat ineens niet meer wist hoe het bevelen moest volgen.
Sera keek naar Clara.
“Hoe wist je dat?”
Clara keek naar het apparaat in Carola’s hand.
“Hij heeft het mij duizend keer laten voelen.”
Carola kwam overeind.
“Kun je lopen?”
Clara knikte, maar haar benen trilden.
“Dan gaan we.”
Een zware knal steeg op vanuit de diepte.
De eerste turbine brak los.
Een enorm metalen geluid galmde door de schacht. De hele ruimte helde licht naar één kant. Water sloeg tegen de loopbrug en nam de bewusteloze Bewaarder mee over de rand.
“Elias!” riep Carola.
Hij en Arend hadden de bovenste brug bereikt. Linde stond bij een oude onderhoudsconsole, haar vingers in een open paneel.
“De deur naar min vijf!” riep Linde. “Ik krijg hem niet open!”
Arend liep naar een rond mechanisch wiel naast de deur.
“Dat is handmatig.”
“Dan draai,” zei Elias.
Arend greep het wiel.
Het bewoog niet.
Nogmaals.
Zijn handen gleden weg over het natte metaal.
Carola bereikte hen met Clara en Sera.
“Wat is er?” vroeg ze.
“De deur zit vast door drukverschil,” zei Arend. “Als ik hem forceer, kan de hele gang vollopen.”
“En als je niets doet?”
Linde keek naar het stijgende water.
“Dan loopt deze ruimte vol.”
Carola keek naar het wiel. Naar Arends oude handen. Naar Elias, die zonder aarzeling naast hem ging staan.
Samen grepen zij de spaken.
“Op drie,” zei Elias.
“Je telt te langzaam,” bromde Arend.
“Eén.”
“Zie je?”
“Twee.”
Het water bereikte de bovenste trede van de trap.
“Drie.”
Ze draaiden.
Het wiel gaf eerst niets mee.
Toen, met een schrapend protest, bewoog het een centimeter.
Nog een.
Stoom spoot uit een kier rond de deur. De druk aan de andere kant gierde als een dier.
“Niet loslaten,” zei Arend.
“Dat was ik niet van plan,” zei Elias.
Carola pakte een derde spaak vast.
Sera deed hetzelfde.
Clara legde haar handen naast die van Carola.
Met z’n vijven draaiden zij.
De deur sprong open.
Een golf ijskoud water sloeg de gang uit en wierp hen allemaal achteruit. Carola botste met haar schouder tegen de wand. Clara greep haar arm. Elias lag op de vloer, half onder Arend, die vloekend weer overeind kwam.
Maar de deur stond open.
“Door!” riep Linde.
Ze renden de gang in.
Achter hen brak de pompschacht verder open.
De deur sloeg dicht net voordat een muur van water ertegenaan knalde.
Het metaal boog naar binnen.
Maar hield.
Voorlopig.
De gang naar niveau min vijf was droog.
Te droog.
De lucht rook niet naar vocht of olie, maar naar ontsmettingsmiddel. De lampen aan het plafond brandden helder en wit. Geen flikkerende noodverlichting. Geen oude infrastructuur.
Hier werd nog gewerkt.
Carola liep voorop, haar natte schoenen piepend op de gladde vloer. Clara bleef dicht bij haar. Sera liep achter hen en keek voortdurend over haar schouder.
Aan de muren hingen glazen panelen.
Achter ieder paneel bevond zich een kleine kamer.
Een bed.
Een stoel.
Een wastafel.
Soms een boek.
Soms een tekening op de muur.
In de eerste drie kamers was niemand.
In de vierde zat een vrouw op de rand van een bed.
Zij keek op toen de groep voorbij rende.
Haar gezicht was ingevallen, haar haar wit, maar haar ogen waren wakker.
Carola stopte.
De vrouw kwam langzaam overeind.
“Wie zijn jullie?” vroeg ze.
Carola liep naar het glas.
“Mijn naam is Carola.”
De vrouw keek naar haar, toen naar Elias, naar Arend.
Haar blik bleef op Arend hangen.
Arend werd bleek.
“Els,” fluisterde hij.
De vrouw aan de andere kant van het glas keek hem lang aan.
Toen kwam zij dichterbij.
“Jij bent ouder geworden,” zei ze.
Arend legde zijn hand tegen het glas.
“Ik dacht dat je dood was.”
Els lachte zonder humor.
“Dat was de bedoeling.”
Een alarm begon te klinken.
Niet de sirene van de Kern.
Een eenvoudiger geluid: korte, scherpe tonen.
Op de muur boven de cellen verscheen een rode tekst.
SLAAPNIVEAU ONTGRENDELD
BEWARINGSPERSONEN ONSTABIEL
MEDISCHE CORRECTIE GESTART
De deur van Els’ kamer klikte open.
Maar uit de ventilatieopeningen begon een kleurloze nevel te stromen.
Elias keek omhoog.
“Verdoving,” zei hij.
Carola greep de deur.
“Dan halen we iedereen eruit.”
Recente reacties