Min zeven

De zwarte voertuigen reden niet op de barricade in.

Ze draaiden tegelijk om.

Binnen enkele seconden waren ze verdwenen tussen de loodsen, richting de Zeistkering. Alleen de natte bandensporen en de lage brom van hun motoren bleven achter.

Niemand geloofde dat dit goed nieuws was.

Carola bleef nog een moment bij de slagboom staan. Zij keek naar de straat waar Clara was verdwenen.

Niveau min zeven.

Geen bevel. Geen valstrik, hoopte zij.

Een waarschuwing.

“Wat was dat?” vroeg Sera.

“Een boodschap,” zei Carola.

“Van haar?”

Carola knikte.

Sera keek haar scherp aan. “Je vertrouwt haar?”

“Nee.”

“Maar je luistert wel.”

“Ja.”

Sera keek naar de leeggelopen straat.

“Dat is misschien nog gevaarlijker.”

Achter hen klonk een kind dat huilde. Het geluid rukte Carola uit haar gedachten. In het pompstation zaten de vluchtelingen dicht tegen elkaar aan op de koude betonnen vloer. Mara onderzocht een gewonde arm. Jaro deelde water uit. Meneer De Wit had zijn tas op een tafel gelegd en schreef namen op de achterkant van oude onderhoudsformulieren.

Niet om mensen te registreren.

Om niemand kwijt te raken.

“Hoeveel?” vroeg Carola.

Meneer De Wit keek op.

“Zeventien volwassenen. Zes kinderen. Twee gewonden die niet kunnen lopen.”

“Kunnen zij hier blijven?” vroeg Carola aan Arend.

Hij keek rond in het pompstation. “Voor een paar uur. Misschien. Dit gebouw heeft een eigen pomp, een noodgenerator en een afsluitbare kelder.”

“Misschien?” vroeg Veronne via de portofoon.

Iedereen keek op.

Carola pakte het apparaat. “Veronne?”

“Eindelijk.” Haar stem was korrelig, maar duidelijk. “Jullie signaal komt af en toe door. Ik luister al tien minuten naar halve zinnen en gevloek.”

“Dat laatste was Bram.”

“Dat wist ik.”

Carola keek naar de groep in het pompstation.

“Wij zijn bij West-3. We hebben vluchtelingen opgepikt. De Bewaarders zijn verder gereden naar de kering.”

“Dan weten ze dat jullie daarheen gaan.”

“Dat weten ze al.”

“En jullie gaan toch?”

Carola keek naar Arend.

Hij had de onderhoudskaart op de vloer uitgespreid. Zijn vinger rustte op niveau min zeven.

“Ja,” zei ze.

Veronne zuchtte diep.

“Goed. Dan krijg je informatie. Het Mannenhuis zit vol, maar we houden stand. Mensen uit de buurt brengen eten en matrassen. Iemand heeft een generator geregeld. En er zijn berichten uit andere wijken.”

“Wat voor berichten?”

“Meer huizen openen hun deuren. Oude opvanglocaties. kerken. leegstaande scholen. Mensen organiseren zich.”

Carola keek naar de groep in het pompstation.

“Dat is goed.”

“Het is rommelig.”

“Dat ook.”

“En er zijn groepen die lijsten gebruiken om mensen op te jagen.”

Carola zei niets.

“Een voormalige nachtpatrouille is bij de kade in elkaar geslagen,” vervolgde Veronne. “Twee mensen uit de archieven zijn verdwenen. Niet door Oogst. Gewoon door een menigte.”

De woorden maakten de ruimte kouder.

“Wij zijn niet de enigen die keuzes maken,” zei Carola.

“Nee,” antwoordde Veronne. “Dus kom terug voordat iedereen besluit dat wraak hetzelfde is als rechtvaardigheid.”

Carola kneep haar ogen dicht.

“Ik kom terug.”

“Dat hoor ik liever.”

De verbinding kraakte.

“Carola?”

“Ja?”

“Pas op met je moeder.”

Carola keek naar de kaart.

“Dat ben ik van plan.”


Arend zat op zijn knieën bij de onderhoudskaart. Elias en Linde stonden naast hem.

“Hier,” zei Arend. “De hoofdingang leidt naar niveau min één. Vandaaruit gaan er liften naar de energiecentrale en de serverlagen. Maar min zeven is alleen bereikbaar via de oude pompschacht.”

“Die je eerst ‘langdurige opslag’ noemde,” zei Sera.

Arend knikte.

“Dat was de officiële term.”

“En de echte?”

Hij keek naar haar.

“Bewaring.”

Sera lachte bitter. “Wat een verschil.”

Linde wees op een smalle blauwe lijn op de kaart.

“Deze tunnel vanaf West-3, waar eindigt die?”

Arend boog zich voorover.

“Onder de westelijke dijk. Hij sluit aan op de pompschacht bij niveau min vijf.”

“Dus we hoeven niet langs de hoofdingang,” zei Carola.

“Als de tunnel droog is.”

Elias keek naar de zwarte rook in de verte.

“En als de pompen niet zijn geactiveerd.”

Arend keek hem aan. “Ik zei al dat ik een manier ken om ze uit te schakelen.”

“Die manier?” vroeg Carola.

Arend wees naar een metalen luik in de vloer van het pompstation.

“Hieronder.”

Bram keek naar het luik.

“Je maakt een grap.”

“Dat doe ik niet.”

“Dat luik leidt naar de tunnel?”

“Niet direct. Eerst naar een onderhoudskamer. Daarna naar een handmatige klep.”

“En die klep zet de pompen van de kering uit?”

“Niet uit. Hij leidt de druk om.”

“Waarheen?”

Arend zweeg.

Bram keek hem strak aan.

“Waarheen, Arend?”

“De oude overloopkanalen.”

“Onder welke wijk?”

Arend keek naar de kaart.

“De westelijke industriezone.”

Linde begreep het als eerste.

“Die staat niet leeg,” zei ze.

“Nee,” zei Arend.

“Er wonen mensen.”

“Ja.”

“Als we die druk daarheen sturen, loopt de zone onder.”

“Niet volledig. Niet als het systeem nog stabiel is.”

“Het systeem is niet stabiel!”

Arend sloot zijn ogen.

“Daarom heb ik die route nooit willen gebruiken.”

Carola keek naar de kaart. Naar de blauwe lijn. Naar de zwarte rook boven de kering.

Altijd dezelfde keuze, dacht ze.

Niet óf iemand gevaar loopt.

Maar wie.

“Is er een andere manier?” vroeg ze.

Elias schudde zijn hoofd. “Niet op tijd.”

“Hoeveel tijd?”

Linde keek op haar tablet.

“Zonsondergang over vier uur en twintig minuten. De Kern bouwt signaalsterkte op. Als de pompen aan blijven, komen we niet bij min zeven.”

Carola dacht aan de bewoners van de industriezone. Aan mensen die mogelijk niets wisten van wat onder hun huizen draaide. Aan de gezinnen in het pompstation. Aan de stad die al in paniek was.

“Dan waarschuwen we hen,” zei ze.

Bram keek haar aan.

“Met welke communicatie? Alles ligt plat.”

Carola draaide zich naar de mensen in de ruimte.

Naar Mara, die net een verband vastzette.

Naar Jaro, die met een kind sprak.

Naar de vluchtelingen die een paar uur geleden nog voor hun leven hadden gerend.

“Niet alles,” zei Carola.

Ze pakte een stuk krijt van een oude gereedschapsplank en liep naar de betonnen muur.

In grote letters schreef zij:

WESTELIJKE INDUSTRIEZONE MOET NU ONTRUIMEN.
WATERKERING WORDT ONSTABIEL.
HELP ELKAAR.

Ze gaf het krijt aan Jaro.

“Kun je schrijven?”

Hij keek naar de muur.

“Ja.”

“Goed. Jij en twee anderen gaan naar buiten. Geen hoofdstraten. Gebruik muren, deuren, ramen, alles wat mensen kunnen zien. Zeg het door. Haal iedereen weg die je kunt bereiken.”

Jaro keek naar de zwarte rook.

“En jij?”

“Ik ga naar beneden.”

Mara kwam overeind.

“Ik blijf hier met de gewonden.”

“Dat hoeft niet—”

“Het is geen discussie.” Mara knikte naar de groep. “Ik kan ze niet allemaal meenemen. Maar ik kan hier een tijdelijke post maken. Als de industriezone inderdaad onderloopt, komen er meer mensen.”

Carola knikte.

“Bram, jij blijft met Mara. Gebruik de wagen om mensen te evacueren.”

Bram protesteerde direct. “Nee. Ik ga mee.”

“Bram.”

“Je hebt een chauffeur nodig.”

“Onder de grond niet.”

Hij keek naar de bestelbus, toen naar de open straat.

“En jij hebt iemand nodig die op je let.”

“Dat doet Sera al.”

Sera trok een wenkbrauw op. “Ik heb daar niet mee ingestemd.”

“Nu wel.”

Bram wilde opnieuw protesteren, maar Carola stapte dichterbij.

“Als wij slagen, maar de industriezone verdrinkt, hebben we niets opgelost.”

Hij keek haar lang aan.

Toen knikte hij.

“Je komt terug.”

Carola glimlachte flauwtjes.

“Dat schijnt tegenwoordig een huisregel te zijn.”

Arend opende het metalen luik.

Een stoot koude, vochtige lucht kwam omhoog.

Beneden lag een ladder die verdween in het donker.

Elias pakte een zaklamp.

Sera controleerde haar rugzak.

Linde stopte de onderhoudskaart in een plastic hoes.

Carola keek nog één keer naar het pompstation, naar de mensen die zich begonnen te organiseren zonder dat iemand hen bevelen gaf.

Toen daalde zij af.

Onder de stad wachtte niveau min zeven.