De omweg

Bram reed alsof hij de stad persoonlijk beledigd vond.

De bevoorradingswagen stuiterde over tramrails, scheerde langs geparkeerde fietsen en nam bochten met een snelheid die de metalen rekken achterin gevaarlijk liet rammelen. Carola zat naast hem, één hand tegen het dashboard gedrukt. Elias en Arend zaten achterin met Sera, Linde en een tas vol gereedschap.

De ambulance volgde op enkele meters afstand.

Achter hen klonken motoren.

“Drie voertuigen,” zei Linde, terwijl zij naar een klein schermpje op haar tablet keek. “Nee, vier. Ze gebruiken geen stadsnetwerk meer. Eigen signaal.”

“Kun je ze uitschakelen?” vroeg Carola.

“Niet zonder de module.”

“Kun je iets anders?”

Linde keek op.

“Misschien.”

“Dat betekent?”

“Dat ik er nog over nadenk.”

Bram nam een scherpe bocht naar rechts. De wagen gleed over een plas, herstelde zich en schoot een smalle winkelstraat in.

“Dit is niet de route naar de kering,” zei Arend.

“Dat weet ik,” zei Bram.

“De westelijke doorgang ligt drie kilometer terug.”

“Daar staan waarschijnlijk inmiddels tien van die zwarte wagens.”

Arend wilde antwoorden, maar Bram sloeg met zijn vlakke hand op het stuur.

“Ik heb jarenlang nachtroutes gereden. De hoofdwegen zijn snel. De zijwegen zijn lelijk. Vandaag kiezen we lelijk.”

Carola keek door de voorruit.

Overal in de straat stonden schermen met haar gezicht.

GEZOCHT.
GEVAARLIJK.
MELD HAAR LOCATIE.

De beelden waren oud. Een foto uit haar dossier, waarschijnlijk gemaakt toen zij net volwassen was. Haar gezicht strak, haar ogen vermoeid. Ze kende de opname niet, maar herkende de uitdrukking.

Dat was de blik van iemand die dacht dat gehoorzaamheid veiligheid kocht.

Aan de stoep stond een man naast een gesloten bloemenwinkel. Hij zag de bestelwagen voorbijrazen, keek naar het scherm boven hem en keek toen door de voorruit naar Carola.

Hun blikken kruisten elkaar.

Carola verwachtte angst.

Of haat.

De man draaide zich om, liep naar een metalen afvalcontainer en duwde die midden op de straat.

De eerste zwarte achtervolgingswagen moest uitwijken. Hij ramde een geparkeerde scooter, draaide zijwaarts en blokkeerde de weg voor de voertuigen erachter.

Bram keek in zijn spiegel.

“Dat helpt.”

“Hij heeft ons geholpen,” zei Carola.

“Ja,” antwoordde Bram. “Dat bedoelde ik.”

Via de radio kwam Mara’s stem.

“Ambulance hier. We hebben een probleem.”

Carola pakte de portofoon. “Wat?”

“Een van de achtervolgers heeft de straat aan de andere kant afgesloten. Als we rechtdoor blijven rijden, klemmen ze ons tussen twee groepen.”

“Alternatief?”

“Een voetgangersbrug over het water.”

Bram schudde al zijn hoofd voordat Carola antwoord kon geven.

“Te smal.”

“Voor een ambulance misschien,” zei Mara. “Maar niet voor jullie wagen.”

“Wij blijven bij elkaar,” zei Carola.

“Dat is precies waarom ze ons kunnen vangen,” zei Mara.

De radio bleef stil.

Carola wist dat Mara gelijk had.

Ze keek achterom. Jaro zat in de ambulance met meneer De Wit. Sera keek haar aan vanuit het laadruim. Niemand zei iets, maar iedereen wachtte.

Een leider zijn, dacht Carola, was soms niets meer dan degene zijn die hardop moest uitspreken welke keuze iemand pijn ging doen.

“Bram,” zei ze. “Neem de brug.”

“En de ambulance?”

“Mara gaat naar de oude markt. Daarna noordelijk langs het kanaal. Wij ontmoeten elkaar bij pompstation West-3.”

Bram klemde zijn handen om het stuur.

“Dat is een halfuur om.”

“Dan hebben we een halfuur.”

“Als zij worden gepakt—”

“Dan keren we terug.”

Dat was geen goed plan.

Maar het was het enige dat zij kon geven.

Bram vloekte, schakelde terug en stuurde de wagen richting de rivier.

Via de radio zei Carola: “Mara, je hoort het. Markt, kanaal, West-3. Blijf op de lage frequentie. Geen centrale zenders.”

“Begrepen.”

“En Mara?”

“Ja?”

“Breng ze veilig.”

Mara antwoordde niet meteen.

Dan: “Dat was altijd al het idee.”

De ambulance sloeg bij het volgende kruispunt linksaf.

De bestelbus reed rechtdoor.

Voor een paar seconden bleef Carola naar de witte wagen in de spiegel kijken. Toen verdween hij achter een rij oude pakhuizen.


De voetgangersbrug was ooit gebouwd als verbinding tussen twee winkelgebieden aan weerszijden van de rivier. Nu was zij roestig, smal en bijna leeg. Aan beide kanten hingen vlaggen die door de regen waren verbleekt.

Bram reed de bestelbus de brug op.

De metalen platen kreunden onder het gewicht.

“Dit is geen goed idee,” zei Elias.

“Dat weet ik,” zei Bram.

“Die brug is niet gemaakt voor voertuigen.”

“Dat weet ik ook.”

“Hij kan instorten.”

Bram keek kort in de spiegel.

“Wil je misschien zelf rijden?”

Elias zweeg.

Onder hen stroomde de rivier donker en breed. Op de kade aan de overkant stonden mensen bijeen. Sommigen keken naar de schermen, anderen naar de bestelbus die over een brug reed waar geen bestelbus hoorde te rijden.

Een vrouw met een kinderwagen hief haar telefoon op.

Carola zag zichzelf op het schermpje.

Niet de gezochte foto.

Een livebeeld.

De stad volgde hen.

“Ze zenden ons uit,” zei zij.

Linde keek op van haar tablet. “Niet alleen de Bewaarders. Mensen kopiëren alles. Iemand heeft een publiek kanaal gestart.”

“Kun je zien wat er wordt gezegd?”

Linde draaide het scherm.

Duizenden berichten stroomden voorbij.

IS DAT DE VROUW VAN HET MANNENHUIS?
MIJN VADER STAAT OP HAAR LIJST.
ZE HEEFT DE ARCHIEVEN GEOPEND.
ZE IS EEN TERRORIST.
ZE HEEFT MIJN ZUS EEN NAAM TERUGGEGEVEN.
LAAT HAAR MET RUST.
WAAR GAAT ZE HEEN?

Toen verscheen er één bericht dat boven de rest bleef staan.

ZEISTKERING. ZE WILLEN NAAR DE ZEISTKERING.

Carola voelde haar maag samenknijpen.

“Wie heeft dat geplaatst?” vroeg ze.

Linde tikte snel op haar scherm.

“Anoniem account. Net aangemaakt.”

“Helena,” zei Elias.

Arend schudde zijn hoofd.

“Nee. Te openbaar. Helena wil controle.”

“Clara dan,” zei Sera.

“Ook niet,” zei Elias. “Zij wil Carola isoleren, niet een menigte naar de kering trekken.”

Bram stuurde de wagen van de brug af.

Achter hen klonk het schelle geluid van remmen.

Een zwarte wagen was toch de brug op gereden.

De brug kraakte.

Bram keek in zijn spiegel.

“Die is zwaarder dan wij.”

“Rijden,” zei Carola.

“Ben ik mee bezig.”

De zwarte wagen kwam dichterbij.

Op de achterbank bewoog iemand. Een grijze jas. Een wapen? Een apparaat?

Bram trok plotseling aan een hendel onder het dashboard.

“Wat doe je?” riep Elias.

“Een oude truc.”

De achterklep van de bestelbus sprong open.

Een reeks metalen kisten rolde naar buiten, precies over de natte brugplaten. De zwarte wagen reed eroverheen. Zijn banden verloren grip. Hij slingerde, raakte de leuning en brak er deels doorheen.

De wagen bleef hangen, schuin boven het water.

Bram keek niet om.

“Geen tijd,” zei hij.

Carola keek wel.

Door het achterraam zag zij een hand tegen het gebarsten zijraam slaan.

Een grijze mouw.

Een mens.

“Stop,” zei ze.

Bram keek haar aan alsof zij gek was geworden.

“Carola—”

“Stop.”

Hij remde hard.

De bestelbus kwam piepend tot stilstand aan het einde van de brug.

“Wat doe je?” vroeg Sera.

Carola opende haar deur.

“Wat ik had gezegd.”

“Dat is een Bewaarder!” riep Elias.

“Dat weet ik.”

“Ze zouden ons niet helpen.”

“Dan zijn we niet zij.”

Ze rende terug de brug op.

Bram vloekte en greep een sleepkabel uit het laadruim. Sera volgde hem zonder iets te zeggen. Elias bleef één seconde staan, keek naar Arend, en rende toen ook.

De zwarte wagen hing gevaarlijk tegen de gebroken leuning. Binnen zat een jonge vrouw vast achter het stuur. Haar voorhoofd bloedde. Zij droeg een grijze regenjas, maar geen masker.

Toen zij Carola zag, greep zij naar haar jaszak.

Sera hief haar zaklamp als wapen.

“Niet doen.”

De vrouw trok haar hand terug.

“Mijn naam is Inez,” hijgde ze. “Ik wil niet dood.”

“Waarom volgde je ons?” vroeg Carola.

“Bevel.”

“Van Clara?”

Inez knikte.

“Waar is ze?”

De vrouw keek naar de bestelbus, naar de mensen die haar probeerden te redden.

Toen zei ze: “Niet achter jullie.”

Carola voelde de kou opnieuw.

“Waar dan?”

Inez keek naar de rivier.

“Voor jullie.”

Vanaf de overkant kwam een laag dreunend geluid.

Niet van motoren.

Van zware machines.

In de verte, achter de grauwe gebouwen aan de westkant, begon de lucht boven de Zeistkering zwart te kleuren.