Konvooi
Om 14:03 vertrok het konvooi.
De regen was opgehouden, maar de stad glom nog nat en donker onder een hemel die te laag leek te hangen. Voor het Mannenhuis stonden drie witte bestelbusjes, een oude rivierambulance en Bram’s roestige bevoorradingswagen.
Op de zijkant van de ambulance stond nog vaag het logo van de gemeentelijke hulpdienst:
ZORG IN BEWEGING
Iemand had met zwarte verf één woord eronder gezet.
EINDELIJK
Carola stond op de stoep met een papieren lijst in haar hand.
Zij haatte papieren lijsten.
Te lang waren namen op papier een beginpunt geweest voor verdwijnen. Maar deze lijst was anders. Er stonden geen classificaties naast de namen. Geen nummers. Geen risico’s.
Alleen wie meeging.
En wie achterbleef om het Mannenhuis open te houden.
“Bram,” zei Carola.
De brede man stak zijn hand op vanuit de bestuurdersstoel van de bevoorradingswagen.
“Hier.”
“Jij rijdt voorop. Geen snelwegen. Geen tunnels die niet op Arends kaart staan. Als je iets verdachts ziet, stop je niet. Je meldt het.”
Bram knikte. “Begrepen.”
“Mara?”
De vrouw met het rode haar controleerde de medische kisten achter in de ambulance.
“Voorraad is beperkt,” zei ze. “Maar we hebben verband, pijnstilling, zuurstof en genoeg water voor een dag. Misschien twee, als niemand zich als een idioot gedraagt.”
“Dat klinkt optimistisch,” zei Veronne.
Mara keek haar aan. “Ik ben hulpverlener. Optimisme is beroepsdeformatie.”
“Mooi. Jij rijdt in de ambulance met Jaro en meneer De Wit.”
Meneer De Wit keek nerveus naar de wagen. Hij droeg een kleine leren tas tegen zijn borst gedrukt. Daarin zat niets nuttigs voor een tocht naar een afgesloten waterkering: een fotoalbum, een brilkoord, een oude trui.
Maar Carola had hem niet gevraagd iets achter te laten.
Sommige bagage woog meer dan voedsel. Toch moest je die meenemen.
“Linde?” vroeg Carola.
Linde stond bij de tweede bestelbus, met een gereedschapskist aan haar voeten.
“Ik heb de radio’s aangepast. Geen centrale frequenties. We kunnen onderling praten, maar we zenden niet ver genoeg uit om makkelijk getraceerd te worden.”
“‘Makkelijk’ is geen geruststellend woord,” zei Veronne.
“Dan moet je je maar ongerust voelen.”
Sera glimlachte kort. Sinds zij haar masker had afgezet, leek zij jonger én vermoeider. Zij droeg een grijze jas, een rugzak en een kleine zaklamp aan haar riem.
“Waar wil je mij?” vroeg ze.
Carola keek naar haar.
“Bij Arend en Elias. In de tweede wagen.”
Sera keek naar de twee mannen alsof zij niet kon beslissen wie van hen het minst betrouwbaar was.
“Gezellig.”
Arend stond naast Elias bij de achterdeur van de bestelbus. De oude man droeg nu een reflecterend regenjack van het Mannenhuis. Het was te groot voor hem en maakte hem kwetsbaar zichtbaar.
Elias had niets gezegd sinds de ochtend. Hij hield de geheugenmodule in een metalen doosje dat Mara hem had gegeven. Soms keek hij ernaar alsof het ding in zijn hand kon ontploffen.
Carola liep naar hem toe.
“Je rijdt met mij.”
Elias keek op. “Waarom?”
“Omdat ik geen zin heb om je uit een rijdende wagen te moeten zoeken als je besluit iets stoms te doen.”
“Ik heb geen plan om te vluchten.”
“Dat zei je vannacht ook niet.”
Hij knikte langzaam.
“Eerlijk.”
Veronne kwam naast Carola staan. Ze droeg geen schort meer. Haar haar zat strak naar achteren en over haar donkere jas hing een kleine tas met medische spullen, kaarten en een portofoon.
“Wie blijft hier?” vroeg Carola.
“Drie bewoners die vroeger in de beveiliging zaten, twee vrouwen van de rivierambulance en iedereen die niet kan of wil reizen.” Veronne keek naar het gebouw. “De deuren blijven open.”
Carola keek naar de blauwe letters boven de ingang.
BESCHERMING.
Het woord had er jarenlang gehangen als een belofte en een dreigement tegelijk.
Nu was de deur geopend.
Dat voelde juist.
En gevaarlijk.
“Als er iets gebeurt,” zei Carola tegen Veronne, “ga dan niet op mij wachten.”
Veronne trok één wenkbrauw op.
“Dat was ik niet van plan.”
“Veronne.”
Ze keek haar aan.
Carola sprak zachter. “Ik meen het.”
“En ik meen dit: jij komt terug.” Veronne pakte haar hand, drukte er kort in en liet los. “Niet omdat ik je kan bevelen. Omdat ik anders iemand anders moet zoeken die de administratie begrijpt.”
Carola lachte.
“Wreed.”
“Efficiënt.”
De motoren sloegen aan.
Op dat moment begon de grote klok in de salon van het Mannenhuis te luiden.
Niet omdat het middernacht was.
Niet omdat een alarm was afgegaan.
Een van de bewoners stond binnen bij het touw, een magere man met een baard die Carola alleen kende als meneer Faber. Hij trok nogmaals aan het touw.
De klank droeg over de kade.
Eén voor één kwamen mensen naar buiten. Niet om mee te rijden, maar om afscheid te nemen. Sommigen hieven een hand. Sommigen stonden zwijgend in de regenlucht. Iemand begon opnieuw te applaudisseren.
Deze keer deden meer mensen mee.
Carola hield niet van applaus.
Maar zij stapte in de eerste bestelbus voordat iemand het aan haar kon zien.
De stad was overdag nooit leeg geweest.
Nu was zij overvol.
Op elke straathoek stonden groepjes mensen rond schermen en projecties. Overheidsgebouwen waren afgesloten met metalen hekken. Op sommige muren waren namen geverfd: namen van verdwenen mensen, namen van ambtenaren uit de dossiers, namen van kinderen die alleen nog als nummers bekend waren.
Bij een tramhalte stond in grote rode letters:
WIJ WAREN HIER.
Bram reed langzaam voorop. De voertuigen volgden dicht achter elkaar.
“Geen politie,” zei Elias vanaf de passagiersstoel naast Carola.
“Dat is geen geruststelling,” antwoordde zij.
“Nee.”
Via de radio kraakte Linde’s stem.
“Voor ons kruispunt. Twee blokken verder. Ik zie een controlepost.”
Carola keek door de voorruit.
Tussen de verlaten trams stonden zwarte voertuigen dwars over de weg. Geen officiële patrouillewagens. Geen stadslogo’s. Alleen donkere, lage wagens met geblindeerde ramen.
Zes mensen stonden ernaast.
Allen in grijze regenjassen.
“Bewaarders,” zei Sera via de radio.
Bram remde.
“Niet stoppen,” zei Carola meteen.
“Er is geen ruimte,” antwoordde Bram.
“Dan maak je ruimte.”
De zes figuren kwamen in beweging.
Eén hief een hand op. Geen wapen zichtbaar. Alleen een klein zwart apparaat, gelijkend op de resetmodule uit Kamer Nul.
“Ze proberen de voertuigen uit te schakelen,” zei Elias.
“Kan dat?”
“Als onze systemen nog op het oude netwerk reageren.”
Carola greep de radio.
“Linde?”
“Ik hoor je.”
“Kun je de wagens loskoppelen?”
“Niet van hieruit.”
“Dan doen we het rijdend.”
Bram’s stem klonk gespannen. “Ik heb drie seconden voordat ik tegen die barricade zit.”
“Gebruik ze,” zei Carola.
De bevoorradingswagen schoot vooruit.
De eerste grijze figuur sprong opzij. De tweede bleef staan en drukte op zijn apparaat.
Alle motoren vielen tegelijk stil.
De bestelbus onder Carola begon te rollen zonder aandrijving. Het stuur werd zwaar. De ambulance achter hen gleed gevaarlijk naar rechts.
“Remmen!” riep Mara via de radio.
Bram’s wagen ramde de barricade zonder kracht, maar met genoeg gewicht om een zwart voertuig opzij te duwen. Metaal krijste. Een grijze jas verdween uit beeld.
Carola trok aan het stuur terwijl de bestelbus over nat asfalt gleed.
“Handrem!” riep Elias.
“Dat weet ik zelf ook.”
Ze trok de hendel omhoog. De wagen draaide half rond en kwam met een schok tot stilstand tegen een lantaarnpaal.
Achter hen botste de ambulance tegen de achterkant van de tweede bestelbus.
Niemand sprak.
Toen klonk Jaro’s stem over de radio.
“כולם oké hier.”
Mara nam de radio over. “Iedereen leeft. Voorlopig.”
Voor de voertuigen kwamen de Bewaarders weer overeind.
Zes waren er geweest.
Nu zag Carola er acht.
Twee van hen waren uit de zwarte voertuigen gestapt.
Eén droeg geen regenjas.
Zij droeg een wit uniformjasje met een hoge kraag.
Carola herkende het meteen.
Het was een kopie van haar eigen oude kleding.
De vrouw keek recht naar haar door de voorruit.
Toen glimlachte zij en sprak, zonder dat er een microfoon te zien was. Toch klonk haar stem uit alle radio’s tegelijk.
“Goedemiddag, Subject C-12.”
Carola pakte haar portofoon.
“Wie ben jij?”
De vrouw buiten legde haar hoofd iets schuin.
“Uw vervanger.”
Recente reacties