De man in de keuken

De terugweg naar boven duurde langer dan de afdaling.

Niet omdat de route ingewikkelder was, maar omdat het Mannenhuis in de tussentijd veranderd was.

De oude dienstgangen trilden onder hun voeten. Soms viel er ergens in de muren een reeks lampen uit; even later sprongen andere aan. Het gebouw klonk alsof het ademde: leidingen kreunden, metalen deuren klikten open en dicht, alarmen begonnen en stopten zonder duidelijke reden.

Carola liep voorop.

Elias volgde haar, met de geheugenmodule stevig in zijn gesloten hand. Sera liep achter hem. Nora Wijs, nog altijd met haar handen vastgebonden, werd door Linde begeleid.

“Waarom nemen we haar mee?” vroeg Sera.

“ იმიტომ dat ik haar niet alleen achterlaat,” zei Carola.

“Waarom niet?”

Carola bleef niet staan.

“Omdat ik niet weet wat er nog in dit gebouw zit. En omdat zij informatie heeft.”

Nora lachte bitter. “Dat is bijna vriendelijk.”

“Raak er niet aan gewend.”

Ze bereikten de trap naar de vierde verdieping. De boekenkast stond nog steeds open. Het kantoor daarachter was leeg, op de zwarte strepen koelmiddel na die over het tapijt waren uitgesmeerd.

De kantoordeur hing scheef in zijn scharnieren.

Carola keek ernaar.

“Uw mooie huis,” zei Elias zacht.

“Het is nog steeds mijn huis.”

Hij keek haar aan.

“Ook als de regels veranderen?”

Carola liep de gang in.

“Juist dan.”

Op de vierde verdieping heerste een andere stilte dan beneden. Geen angstige stilte. Geen verlaten stilte.

Een stilte van mensen die luisterden.

Uit de kamers langs de gang keken mannen naar buiten. Sommigen stonden met hun tassen klaar. Anderen zaten op bedden alsof zij nog niet hadden besloten of de waarheid die zij die ochtend hadden gezien werkelijk bestond.

Een oudere man met een bril stak zijn hoofd om de hoek.

“Mevrouw Carola?”

Carola stopte.

“Ja, meneer De Wit?”

“Staat mijn vrouw echt op die lijst?”

Carola zei niets.

De man hield een dunne tablet omhoog. Op het scherm stond een foto van een vrouw met donker haar en een brede glimlach. Daaronder:

VERONICA DE WIT — OVERGEDRAGEN, 2069

“Ik heb altijd gedacht dat ze me verlaten had,” zei hij. “Dat ze weg wilde. De politie zei dat ze vrijwillig naar het zuiden was vertrokken.”

Carola keek naar de foto.

“Het spijt me,” zei ze.

Hij lachte schor.

“Dat is aardig. Maar ik weet niet wat ik nu met spijt moet.”

Niemand had daar een antwoord op.

Toen kwam er een jongere man uit een kamer verderop. Hij had een rugzak om en een metalen drinkfles in zijn hand.

“Gaat u naar buiten?” vroeg hij.

Carola keek hem aan. “Nog niet.”

“Mijn broer staat misschien ook op die lijst. Hij was zestien toen ze hem meenamen.” De jongen slikte. “Als u weet waar de primaire server is… dan moet u daarheen.”

Sera keek naar hem.

“Het is gevaarlijk.”

Hij haalde zijn schouders op. “Alles is gevaarlijk. Alleen wist ik dat gisteren nog niet.”

Elias voelde die zin harder aankomen dan hij verwachtte.

Carola knikte langzaam.

“Blijf voorlopig bij Veronne,” zei ze. “Help haar beneden. Niemand gaat alleen naar buiten.”

De jongen keek naar haar alsof hij meer wilde zeggen, maar knikte alleen.

Ze liepen verder.

In de lift stond een briefje dat Veronne met dikke zwarte stift op een kartonnen bord had geschreven:

LIFT KAPOT.
NEEM DE TRAP.
NIET ZEUREN. — V

Carola keek ernaar.

“Poëtisch,” zei Elias.

“Ze heeft veel talenten.”

“Dat zie ik.”

Carola keek hem een moment aan. “Pas op.”

“Waarvoor?”

“Voor de manier waarop je over haar spreekt.”

Elias hief één hand. “Begrepen.”

Sera rolde met haar ogen. “Is dit echt het moment?”

“Er bestaat geen goed moment,” zei Carola.

Beneden op de begane grond was het Mannenhuis nauwelijks nog herkenbaar.

De eetzaal stond vol mensen. Niet alleen bewoners. Langs de muren zaten vrouwen met kinderen op schoot, een groep jongeren in natte regenjassen en twee mannen die elkaar vasthielden alsof zij elkaar die ochtend pas hadden teruggevonden. Op lange tafels stonden brood, soepkommen, waterflessen en medische dozen.

Boven de ingang hing nog steeds het oude blauwe bord:

BESCHERMING

Iemand had eronder met krijt geschreven:

VOOR IEDEREEN

Veronne stond bij de keukenopening met een schort over haar donkere kleding. In haar hand hield ze een soeplepel alsof het een staf van gezag was.

“Niet duwen,” riep ze. “Er is genoeg als iedereen normaal doet. En als je niet normaal kunt doen, doe dan in ieder geval alsof.”

Toen zag ze Carola.

De lepel bleef halverwege in de lucht hangen.

“Je leeft.”

“Teleurstellend, ik weet het.”

Veronne liep op haar af en trok haar zonder waarschuwing in een korte, stevige omhelzing.

Carola verstijfde een fractie van een seconde.

Toen sloot ze haar armen om Veronne heen.

“Jij ook,” zei ze zacht.

“Dat was wel het plan.”

Veronne liet haar los en keek direct daarna naar Elias, Sera, Linde en Nora.

“Jullie hebben een hele stoet meegenomen.”

“Lang verhaal,” zei Carola.

“Dat dacht ik al.” Veronne wees met haar lepel naar Nora. “Is dat onze nep-Maud?”

Nora knikte vermoeid.

“Leuk,” zei Veronne. “Zet haar in de voorraadkast. Niet letterlijk. We hebben de ruimte nodig voor de voorraad.”

Linde nam Nora mee richting een klein kantoor naast de keuken.

Sera bleef bij Carola staan. Haar blik ging door de zaal, langs alle onbekende gezichten.

“Dit is groter dan ik dacht,” zei ze.

“Ja,” antwoordde Carola.

“Wat ga je doen als er straks honderd mensen voor die deur staan?”

“Openen.”

“En als er duizend zijn?”

Carola keek naar het krijt onder het bord.

“Dan vinden we een groter gebouw.”

Veronne sloeg met de lepel tegen de rand van een pan.

“Mooi gesproken,” zei ze. “Maar eerst eten. Daarna revolutie.”

Carola glimlachte.

“Waar is Arend Vos?”

Veronnes uitdrukking veranderde.

“Keuken. Hij wacht op je.”

“Alleen?”

“Hij wilde niemand erbij. Ik heb hem verteld dat dat geen optie was.” Veronne knikte naar twee brede mannen bij de keukendeur. “Dus hij zit alleen, maar niet onbewaakt.”

Carola keek naar Elias.

Hij was bleek.

“Kom mee,” zei ze.

De keuken was klein, warm en gevuld met de geur van ui, koffie en natte jassen. Aan de achterste tafel zat een man met een kop voor zich.

Hij was ouder dan Elias. Misschien eind zeventig. Zijn rug was krom, zijn handen waren dun en gevlekt. Hij droeg een beige jas die ooit duur moest zijn geweest, maar nu versleten was bij de ellebogen.

Hij keek op toen Carola binnenkwam.

Zijn ogen waren helderblauw.

“Carola,” zei hij.

Ze bleef in de deuropening staan.

“U kent mij.”

“Je lijkt op je vader.”

Elias stapte naast haar.

De oude man keek naar hem en glimlachte droevig.

“Elias.”

Elias’ gezicht verstrakte.

“Arend.”

“Je ziet er moe uit.”

“Ik heb je dood gezien.”

Arend nam een slok van zijn koffie.

“Dat geloof ik.”

Veronne sloot de keukendeur achter hen.

“Wil iemand mij uitleggen waarom een dode man hier koffie drinkt?” vroeg ze.

Arend zette zijn kop neer.

“De man die Elias zag, was echt dood,” zei hij. “Alleen was hij niet ik.”

“Dat is geen uitleg,” zei Veronne.

“Nee. Het is het begin van een uitleg.”

Carola ging niet zitten.

“Begin dan goed.”

Arend keek haar aan.

“Je vader heeft het transitcentrum niet overleefd,” zei hij.

Carola’s gezicht werd strak.

“Dat weet ik.”

“Maar hij is niet gestorven in de brand.”

Elias sloot zijn ogen.

Arend vervolgde: “Hij werd levend uit het gebouw gehaald. Samen met drie andere volwassenen en zeven kinderen. Helena liet hen registreren als slachtoffers van de brand, zodat niemand hen meer zou zoeken.”

Carola voelde de keuken wegzakken onder haar voeten.

“Waar zijn ze?” vroeg ze.

Arend keek naar de damp boven zijn koffie.

“Bij de Zeistkering.”

Elias pakte de rand van de tafel vast.

“Dat kan niet.”

“Waarom niet?” vroeg Carola.

“Omdat de eerste transporten daarheen nooit aankwamen. De dossiers zeggen dat iedereen onderweg verdronk.”

Arend keek hem aan.

“De dossiers zeggen veel dingen.”

Veronne zette de soeplepel neer.

“Zeg niet dat er al twintig jaar mensen onder die kering gevangen zitten.”

Arend antwoordde niet.

Dat was antwoord genoeg.

Sera, die ongemerkt in de deuropening was verschenen, sloeg een hand voor haar mond.

Carola keek naar Arend.

“Waarom kom je nu?”

De oude man keek plotseling ouder. Niet door zijn huid of zijn houding, maar door de vermoeidheid die in zijn stem kroop.

“Omdat ik twintig jaar geleden ben gevlucht. Omdat ik een lafaard was. Omdat ik dacht dat ik buiten het systeem kon leven terwijl anderen erin verdwenen.” Hij haalde een kleine, versleten sleutel uit zijn binnenzak en legde hem op tafel. “En omdat Helena nu de laatste fase begint.”

Elias keek naar de sleutel.

“Waar is die voor?”

“De onderhoudslift onder de Zeistkering.” Arend schoof hem naar Carola. “De primaire server ligt daar niet alleen. De oude proefpersonen ook.”

Carola pakte de sleutel niet meteen op.

“Mijn vader?”

Arend keek haar recht aan.

“Ik weet niet of hij nog leeft.”

Carola sloot haar hand rond de sleutel.

Buiten in de eetzaal begon iemand te applaudisseren.

Eén persoon eerst.

Toen nog één.

Het geluid zwol aan, niet feestelijk, maar vastberaden. Mensen die elkaar hadden gevonden in de chaos. Mensen die hun namen hadden teruggekregen.

Veronne keek naar de deur.

“Ze wachten op jou.”

Carola keek naar Elias, naar Arend, naar de sleutel in haar hand.

Toen zei ze:

“Laat ze wachten.”

Ze draaide zich naar Veronne.

“Wij gaan eerst de doden halen.”