De eerste ochtend

Om 07:16 kwam de zon op.

Niemand in Kamer Nul zag haar.

De ruimte lag nog steeds onder het rode noodlicht. Op de schermen bleven dossiers voorbijstromen, maar langzamer nu. Alsof het systeem uitgeput raakte van zijn eigen geheimen. De vloer lag bezaaid met gebroken plastic, losse kabels en het zilveren masker van Sera Daal.

Maud Kers zat met haar rug tegen de muur.

Haar handen waren vastgebonden met een kabelbinder die Veronne normaal gebruikte voor defecte bedlampjes. Het was geen elegante oplossing, maar wel doeltreffend. Linde Ors zat een paar meter verderop op haar hurken, haar hoofd in haar handen.

Niemand sprak.

Tot Carola’s portofoon kraakte.

“Carola?”

Veronne.

Carola pakte het apparaat meteen op. “Ik ben hier.”

“Goed.” De opluchting in Veronnes stem duurde precies een seconde. Daarna keerde de praktische toon terug. “We hebben problemen.”

“Dat vermoedde ik al.”

“De noordelijke vleugel is afgesloten. De serverruimte is half overstroomd, maar ik heb de hoofdkoeling kunnen stoppen. Beveiliging is weer bereikbaar, voor zover je twee bewakers met een kapotte camera en een bezemsteel bereikbaar kunt noemen.”

“En de bewoners?”

“Onrustig. Bang. Boos.” Veronne aarzelde. “Sommigen hebben hun dossiers gezien.”

Carola keek naar de schermen.

“Dat was onvermijdelijk.”

“Er zijn mannen die willen vertrekken.”

“Overdag mogen ze gaan.”

“Hun vergunningen werken niet meer.”

Carola zweeg.

Veronne vervolgde: “Ook de stadspoorten zijn dicht. Alle openbare lijnen liggen plat. Er staan mensen buiten bij de kade. Vrouwen, mannen, kinderen. Sommigen vragen om onderdak. Sommigen willen weten of de namen op de schermen echt zijn.”

“Zijn er patrouilles?”

“Nog niet. Maar dat voelt niet als goed nieuws.”

Carola keek naar Kers.

“Sluit de noordelijke ingang,” zei ze. “Open de zijdeur aan de kade. Laat mensen binnen per groep, geen massa. Geef iedereen water, dekens en iets te eten. Niemand wordt geweigerd.”

“Carola, we hebben geen ruimte voor iedereen.”

“Dan maken we ruimte.”

“Dat is geen plan.”

“Nee,” zei Carola. “Dat is een beginsel.”

Aan de andere kant van de verbinding klonk een zucht.

“Je klinkt vervelend idealistisch.”

“Dat heb ik van jou geleerd.”

“Leugenaar.”

“Waarschijnlijk.”

Veronne bleef even stil. Toen zei ze zachter: “Kom terug. Ik kan dit niet alleen.”

Carola keek naar Elias.

Hij stond nog bij het centrale paneel en bestudeerde de melding op het scherm.

PRIMAIRE SERVER LOCATIE: ONBEKEND
OOGSTPROTOCOL: NOG ACTIEF

“Wij komen eraan,” zei Carola.

Ze verbrak de verbinding.

Elias drukte op een aantal oude toetsen. De interface reageerde traag. Regels code verschenen en verdwenen weer. Sommige bestanden waren gewist, andere versleuteld.

“De primaire server kan overal staan,” zei hij. “Een bunker. Een drijvend datacenter. Een oude militaire installatie.”

“U weet het niet?”

“Niet precies.”

“Maar u heeft een vermoeden.”

Hij keek haar aan.

“Er was één locatie die nooit in de bouwtekeningen stond. Geen officiële server. Geen testcentrum. Alleen een noodvoorziening.”

“Waar?”

“Onder de oude waterkering.”

Carola dacht aan de enorme dijk ten westen van de stad, gebouwd na de laatste overstroming. Een kilometerslange zwarte wal met pompen, windturbines en verlaten onderhoudsstations.

“De Zeistkering,” zei ze.

Elias knikte.

“Daaronder lag vroeger een energiecentrale. Wij hebben er een back-upnetwerk gebouwd. Als alle steden uitvielen, kon De Continuïteit daar blijven draaien.”

“Waarom wist niemand daarvan?”

“Dat was de bedoeling.”

Kers lachte kort vanaf de muur.

Iedereen keek naar haar.

“Jullie gaan het nooit halen,” zei ze.

Carola draaide zich om. “Dat klinkt als een uitdaging.”

“De Zeistkering is al jaren militair afgesloten.”

“U bedoelt: door mensen zoals u.”

“Door mensen die begrijpen wat er gebeurt als systemen instorten.” Kers keek naar de schermen. “Jullie hebben zojuist het hele land zonder nachtbewaking gezet. Tegen vanavond komen de eerste groepen op straat. Sommigen willen wraak. Anderen willen profiteren. De Bewaarders zullen reageren.”

“Met Oogst?” vroeg Sera.

Kers keek naar haar.

“Met orde.”

Sera’s ogen werden vochtig, maar haar stem bleef hard.

“Jij hebt mijn naam nooit gebruikt.”

Kers zei niets.

“Zestien jaar,” ging Sera verder. “Zestien jaar heb ik gewerkt, opdrachten uitgevoerd, mensen opgehaald. Ik dacht dat ik bij jullie hoorde.” Ze wees naar haar eigen dossier op het scherm. “Maar ik was nog steeds D-19 voor jou.”

Kers keek weg.

Dat was antwoord genoeg.

Sera stapte naar haar toe.

Carola stak een arm uit om haar tegen te houden.

“Niet,” zei ze.

“Waarom bescherm je haar?”

“Ik bescherm haar niet. Ik bescherm jou.”

Sera keek naar de vastgebonden vrouw.

“Zij verdient—”

“Misschien,” onderbrak Carola. “Maar als wij nu beginnen met bepalen wie wat verdient, veranderen we alleen de kleur van de kettingen.”

Sera’s woede verdween niet. Maar ze deed een stap terug.

Elias had ondertussen een klein metalen luik aan de zijkant van het paneel geopend. Daarachter zat een geheugenmodule, nauwelijks groter dan een luciferdoosje.

Hij haalde hem voorzichtig los.

“Wat is dat?” vroeg Carola.

“Een lokale routekaart. Als ik geluk heb, bevat hij de verbindingen naar de primaire server.”

“En als u geen geluk hebt?”

Elias keek naar Kers.

“Dan bevat hij waarschijnlijk een laatste onaangename verrassing.”

Kers glimlachte flauwtjes.

“Eindelijk zegt u eens iets verstandigs.”

Carola liep naar haar toe.

“Waar is Maud?” vroeg ze.

Kers keek op.

“Waar is wie?”

“De vrouw die ik vannacht bij de noordelijke deur zag. De vrouw die de bevelen gaf. De vrouw met het litteken.” Carola boog zich iets naar voren. “U bent niet Maud Kers.”

De kamer werd stil.

Linde keek op.

Sera keek naar Kers.

Elias kneep zijn ogen samen.

De vrouw tegen de muur zei niets.

Carola pakte het zilveren masker van de vloer en hield het naast haar gezicht.

“Wie bent u?”

Eindelijk sprak de vrouw.

“Maud Kers is al negen jaar dood.”

Linde deinsde achteruit.

“Dat is niet waar,” zei ze. “Ik heb met haar gewerkt.”

“Met haar stem,” zei de vrouw. “Met haar gezicht op schermen. Met haar bevelen.”

Elias keek naar de zwarte camera in de hoek van Kamer Nul.

“Een synthetische identiteit,” fluisterde hij. “Ze gebruikten haar als gezicht voor de Bewaarders.”

“Wie stuurt dan de Bewaarders?” vroeg Carola.

De vrouw keek naar het centrale scherm.

De laatste dossiers verdwenen. Het scherm werd zwart.

Toen verscheen een nieuw beeld.

Een lege stoel.

Niet de stoel in Kamer Nul.

Een andere. Groter. Moderner. In een ruimte zonder ramen.

Een vrouwenstem sprak uit de luidsprekers.

Warm. Beheerst. Bijna vriendelijk.

“Goedemorgen, mevrouw Carola.”

Carola verstijfde.

De stem vervolgde:

“Of moet ik zeggen: Subject C-12?”

Elias liet de geheugenmodule uit zijn hand vallen.

Het kleine apparaat tikte op de vloer.

“Onmogelijk,” fluisterde hij.

Op het scherm verscheen langzaam een gezicht.

Een vrouw van rond de zestig, met zilvergrijs haar en heldere ogen. Haar blik was rustig, intelligent en pijnlijk bekend voor Carola.

Carola had haar twintig jaar niet gezien.

Niet sinds de herstelkliniek.

Niet sinds Kamer Nul.

“Mama,” zei ze.

De vrouw op het scherm glimlachte.

“Kom naar huis, Carola.”